Bouwhistorie

De eerste bouwfase (1463-1481)

De bouwgeschiedenis van de Onze Lieve Vrouwetoren, zoals de Peperbus eigenlijk heet, is interessant omdat er uniek archiefmateriaal uit de tijd van voor de Reformatie bewaard is gebleven. Dit archief geeft een compleet beeld over de torenbouw uit die tijd. Het is derhalve uniek voor de geschiedenis van de torenbouw in Nederland.

De bouw van de toren

Na de voltooiing van de Onze Lieve Vrouwekerk in 1454 is er in 1457 reeds sprake van het maken van een klokkenstoel voor twee klokken. Of hier van de huidige onderste geleding van de romp of van een andere toren sprake is, is niet bekend. Ander bronmateriaal vertelt dat de bouw van de huidige toren is begonnen in 1463. De toren werd gebouwd door stadsbouwmeester Berend van Covelens. In 1477 werd de afdichting aanbesteed. De toren had toen twee geledingen met kapitelen en drakenspuwers op de hoeken. Een jaar later besloot men de toren echter hoger op te metselen. In 1481 werd hout geleverd voor de afdichting. Een klokkenstoel werd gemaakt in de derde geleding.

De klokken - Geert van Wou

Een klokkengieter uit Deventer ontving in 1480 al 73 rijnse gulden. In 1481 werd ijzerwerk gekocht om klokken op te hangen. In 1484 kreeg meester Geert van Wou uit Den Bosch de opdracht om drie klokken te gieten, een sol van 929 pond, een fa van 1311 pond en een mi klok van 1731 pond. In oktober van dat zelfde jaar kwam daar nog een re klok van 2300 pond bij. Op Palmpasen van het jaar 1485 werd ook nog een la klok van 640 pond geleverd en ten slotte in 1486 een ut of do klok van 3437 pond. De klokken werden door 9 vooraanstaande burgers van de stad geschonken. Hiermee was de toren met klokken voltooid. De romp was drie traveeën hoog. De huidige galmgaten laten nog de plaats van de zes luidklokken vermoeden. Van de klokken is alleen de la klok nog aanwezig.

De tweede bouwfase (1538-1540)
De lantaarn

De bouw van de lantaarn verliep niet volgens plan. Aanvankelijk werd, na een selectieprocedure, het werk gegund aan Mr. Simon Penet uit Antwerpen. Al doet het verhaal de ronde dat deze Penet er met de centen vandoor ging, is het aannemelijker dat hij inzag dat het gehele werk, mede door de zuinigheid van de kerkmeesters, veel te laag was aangenomen. Mede daarom is Penet met de noorderzon vertrokken. Het werk werd — weliswaar vereenvoudigd — toch uitgevoerd door Jacob van Collen in 1539.

Het ontwerp van Penet

In 1537 is er sprake van het verhogen van de Onze Lieve Vrouwetoren. Men liet daarvoor enkele bouwmeesters een ontwerp maken. Zo was er een ontwerp door de Utrechtse bouwmeesters Willem van Noord en Jacob van den Borch, die ook aan de Domtoren werkten. Uiteindelijk werd echter voor een ontwerp van Simon Penet uit Antwerpen gekozen.

Jacob van Collen

Door de verdwijning van Meester Simon werd het werk niet volgens zijn ontwerp afgemaakt. Hij had in plaats van 900 gulden al 1039 uitgegeven. Het werk werd nu opgedragen aan Jacob van Collen. Uit voorzichtigheid werd die aanvankelijk per week betaald. Hij moest eerst aan twee zijden balustrades afmaken en twee hoektorens. Opmerkelijk dat de achtkantige lantaren die oorspronkelijk 13 voet hoog zou worden, ondertussen al was verhoogd tot 27 voet en werd afgemaakt op 28 voet.(9 meter) Daaraan vast kwam een wenteltrap van dezelfde hoogte. Er werd een nieuw ontwerp voor een houten spits gemaakt doch door geldgebrek is dit ontwerp niet uitgevoerd. In plaats daarvan kwam een klein dakje boven de wenteltrap om op het platte dak te kunnen komen.Op 7 september 1540 werd het werk opgeleverd door Meester Jacob van Collen. Pas in 1555 werden er leien op het dak gelegd. Uit het commentaar dat de kerkmeesters in de boeken achterlieten, is op te maken hoe teleurgesteld ze waren over de afwerking van de toren. Voor de aanbesteding had men een sluitende begroting waarna ook de armen nog konden profiteren van het overige geld. Door de misrekeningen had men echter geldgebrek en dat ging ten koste van de armen.

De derde bouwfase (1727-1828)
De bekroning

Rampspoed van de Zwolse torens

De blikseminslag in de toren van de Grote- of St. Michaëlskerk in 1669 had grote gevolgen voor die 115 meter hoge toren. Ze was dusdanig beschadigd, dat besloten werd de hele toren af te breken. Daardoor was de Onze Lieve Vrouwetoren plotseling van groter belang geworden voor de verdediging van de stad. De kerk werd niet meer voor de eredienst gebruikt sinds 1591. In de kerk werd een werkplaats ingericht voor de orgelbouwers Schnitger tussen 1718 en 1721 voor de bouw van het grote orgel in de St. Michaëlskerk. Ook deed het gebouw dienst als opslagplaats voor legervoertuigen, karossen en als opvangplaats voor door watersnood getroffen boeren. Eerst in 1809 kreeg het gebouw zijn functie als gebedshuis weer terug. De toren werd in 1727 van een uivormige kap voorzien.

15 januari 1815

Evenals de toren van de Grote Kerk werd ook de Onze Lieve Vrouwetoren in januari 1815 door de bliksem getroffen. De uivormige kap, de lantaarn en een gedeelte van de bovenste geleding van de romp werden verwoest. Jarenlang lag de toren open als een 'zuurkoolvat'. Twee van de drie nog aanwezige van Wou-klokken waren met een razende vaart door het dak van de kerk gekomen. Het pas in 1813 aangekochte Brunswickorgel in de O.L.V.kerk werd danig beschadigd.De klokken werden omgegoten. Het orgel en dak gerepareerd.

Klinkert

Stadsarchitect Herman Klinkert kreeg de opdracht in 1828 om de toren met lantaarn weer op te bouwen en van een koperen koepelvormig dak te voorzien. Deze bekroning leverde de toren de bijnaam: Peperbus op, waar Zwolle nu nog trots op is.